Nieuw boek: "De stem van het water"

Tiisdei 28 desimber 2021

Nieuw boek:

In december 2021 is het nieuwe boek van Hylke Speerstra verschenen. 'De stem van het water' bundelt schippersverhalen. 

Oude schipperij spreekt in ‘De stem van het water’

HEERENVEEN22 DECEMBER 2021

‘Het was op een stille zaterdagmorgen in november 1974. In de ochtendnevel lag Gasselternijveen er wat verscholen bij. Maar wat ik later die dag van de vitale 80’plusser Geert van der Veen te horen kreeg, zou me niet meer verlaten. Ik kwam in een storm terecht.’

Journalist en schrijver Hylke Speerstra (1936) was van 1971 tot 1986 hoofdredacteur van Weekblad Schuttevaer. Hij vervolgde zijn carrière in de journalistiek bij het Agrarisch Dagblad en later de Leeuwarder Courant. Behalve schippersverhalen publiceerde Speerstra enkele tientallen Friestalige verhalenbundels en romans op basis van ‘oral history’. Zijn werk werd met regelmaat in het Nederlands en het Engels vertaald. Zijn laatste roman ‘Testamint fan de siel’ verscheen afgelopen voorjaar.

Oud-hoofdredacteur en schrijver Hylke Speerstra bundelt schippersverhalen

 

Aan het woord is schrijver Hylke Speerstra, zelf inmiddels de 80 ruim gepasseerd en vitaal. Van zijn hand verscheen halverwege december een vuistdik boek met zijn verzamelde maritieme verhalen, onder de titel ‘De stem van het water’.

Het zijn alle verhalen die in de jaren ’70 het licht zagen onder de boektitels Kop in de wind, De laatste echte schippers, Schippers van de Zee en Bij nacht en ontij. Plus een toegift, belooft Speerstra. ‘Zo wordt in deze uitgave behalve de stem van het water ook de stem gehoord van de schipperij, die wellicht anders nooit zou zijn gehoord.’

Verteltalent

De journalist en schrijver was al gegrepen door de spankracht en het verteltalent van varenden. Dat was toen hij hoofdredacteur van Weekblad Schuttevaer was, van 1971 tot 1986. Over zijn interview met Geert van der Veen in 1974: ‘Terwijl de oude man over zijn reizen met de zeetjalk vertelde, hoorde ik de wind door het staande want ruisen; proefde ik het zout van de zee.’

Dolend door de schipperswereld van toen heeft Speerstra naar eigen zeggen steeds weer ervaren dat de schipperij rijk was aan talent. ‘Voor het schipperskind was het schoolgaan niet gemakkelijk. Zoveel hindernissen. Maar ik ben niet zelden verrast door het inzicht, de wijsheid en de toewijding van de mensen.’

Zeilvaart

In Speerstra’s Schuttevaertijd leefden nog opa’s en oma’s van de zeilvaart. ‘Wat een verhalen, wat een moed en vakmanschap waren nodig om het schip vrij te varen. Intussen weten wij het: zij die hen opvolgden zouden voor nieuwe, ook niet makkelijke uitdagingen staan. Vaststaat dat de oude spankracht opnieuw zeer van pas kwam. Zoals een elektrisch varend binnenschip nu iets nieuws is, zo was de zijschroef dat 100 jaar geleden ook. Ga ik mee, of strijk ik de zeilen?’

Tjalk bouwen

Geert van der Veen vertelt in het boek verder over zijn plaats van domicilie: ‘Gasselternijveen bestaat 300 jaar. Eerst was er niets. Alleen moeras. De mensen kwamen overal vandaan om het te ontginnen, om ervan te leven. ’t Moet een leven zijn geweest van zweet en tranen. De mensen hier konden van alles en wilden van alles. Ze voeren, ze bouwden schepen. Eerst kleine dingen. Toen tjalken. Een tjalk bouwen is niet niks, man, dat is moeilijk. Krom en sterk moesten ze zijn. Robuust op hol water. Je moest ermee zee kunnen houden.’
In Gasselternijveen werd ‘s winters niet gevaren, vertelt Van der Veen. ‘Want de kinderen moesten naar school en daar hoorden de moeders bij. Kennis is macht, dat was het adagium. De schoolmeester op de dorpsschool wist van de zee, de jongens kregen alvast wat les in zeevaartkunde. Later haalden ze gemakkelijk de zeevaartpapieren. Op het land liep de turfeconomie ten einde, in de zeevaart bleef de handel nog een tijd zitten.’

Stalmest

Speerstra laat ook Krijn van Oost (1892) uit Arkel aan het woord, die met zijn Hagenaar stalmest vervoerde. ‘Twee kinderen in de luiers en de vrouw stond in de bloei van de derde. Maar ze liep nog net niet op alle dagen, dus zeg ik, we kunnen in Wartena die stalmest nog wel halen voor Hillegom. Goed, ik had de lading in en het schip goed dicht, maar al boven Urk werd het buiig met wind. En hozig. Ik had een knechtje van 13 voorop. Toen zagen we die windhoos. Als een kattenstaart.’


Er kwam inderdaad veel wind en water. Van Oost haalde met veel zorgen de Oranjesluizen. De jongen van 13 nu aan het roer, de schipper aan de boom. ‘Aan de Overtoom wilde de vrouw dat ik m’n natte goed uittrok. Meteen, ‘want ik wil nu de was doen’, zei ze. ‘Het kind komt er aan.’
‘Een buurman ging snel de dokter halen. Die kwam niet. Andere dokter, kwam ook niet. Er stapte een juffer aan boord. Die haalde een tweeling, een jongen en een meisje. Ze waren wat te vroeg, maar leefden als een hartje. De vrouw voelde zich de volgende dag meteen zo goed dat we door konden naar Hillegom. Stalmest, je begrijpt het wel, het moest er uit, de vrouw en ik waren aan een frisse roef toe.’

Schipbreuk

Kapiteinske Geertje Groen-Buisman (1882) vertelde Speerstra in 1973 op haar 91ste verjaardag over de schipbreuk op de Noordzee, die ze als kind met haar Groningse ouders had overleefd. En ze wees naar het koperen keteltje dat op de schoorsteenmantel stond. ‘Dat keteltje was alles wat we nog hadden.’ Ze waren met vijf kinderen aan boord, hadden kolen in voor Denemarken. ‘Ineens voer die Engelse bark over ons heen. We hadden geen tijd om te schrikken. De bark gijpte, kwam terug langzij, nam ons over, de Helena zonk alsof ze in een keer volliep. Het was een waaks en edel schip van 110 ton DW. Vader kon het verlies niet goed dragen, 14 dagen daarna is hij blind geworden. Van verdriet.’